Terwijl er over de oceaan vooral met zware politieke kanonnen wordt geschoten als het om lonen gaat, bewijst het overlegmodel hier dichter bij huis nog maar eens zijn nut. Bonden en werkgevers hebben namelijk de handen ineengeslagen voor een nieuw cao-akkoord voor het Nederlandse gemeentepersoneel. Het gaat niet om klein bier: ruim 222.000 medewerkers zien hun loon de komende twee jaar met gemiddeld 7,5 procent stijgen. Tussen 1 april 2025 en eind maart 2027 krijgt die verhoging in vijf behapbare stappen vorm. Marc Dorst, onderhandelaar bij de vakbond CNV, toont zich behoorlijk tevreden. Zeker als je de wat troebele financiële wateren in ogenschouw neemt waarin veel gemeenten momenteel moeten navigeren. Er ligt bovendien een mooi pakket op tafel dat zowel de jonge garde als de anciens moet bedienen.
De FNV hamert op haar beurt vooral op de ondergrens die nu is vastgelegd. Vanaf volgend jaar geldt er een minimumuurloon van 16 euro. Voor de mensen die in het weekend of op feestdagen de boel draaiende houden, schiet de onregelmatigheidstoeslag met 35 procent de hoogte in, en wie de 55 voorbij is, hoeft definitief geen nachtdiensten meer te draaien. Rachel Streefland, Utrechts wethouder en onderhandelaar voor de Vereniging Nederlandse Gemeenten, spreekt over broodnodige duidelijkheid en stabiliteit voor de sector. Zowel de werkgevers als de bonden stappen nu met een positief stemadvies naar hun achterban. Het is tastbaar, het is uitonderhandeld en het biedt perspectief voor de arbeidsmarkt.
Zet dat pragmatisme eens af tegen de overkant van de Atlantische Oceaan, waar het debat over de onderkant van de loonmarkt veel rauwer en existentiëler wordt gevoerd. In de Verenigde Staten is een minimumloon van 16 euro – of dollars in dit geval – in veel staten nog altijd een verre illusie, maar senator Chris Murphy gooit momenteel een serieuze knuppel in het hoenderhok. De Democraat uit Connecticut pleit ronduit voor een wettelijk minimumloon van 25 dollar per uur. Dat is een gigantische sprong vergeleken met het huidige, federale minimum van amper 7,25 dollar. Murphy’s Living Wage For All Act tekent een pad uit waarbij dat bedrag in het eerste jaar al zou stijgen naar 12 dollar, om in 2032 voor grote bedrijven af te klokken op 25 dollar. Kleinere spelers krijgen respijt tot 2039.
Voor Murphy is dit wetsvoorstel veel meer dan puur sociaaleconomisch beleid; het is een frontale aanval op de politieke ontsporing die wordt veroorzaakt door miljardairs en grote corporaties. Tijdens een passage in de NBC-show Meet the Press maakte hij er geen geheim van dat de Democratische partij met straffere, grotere ideeën op de proppen moet komen. We laten het blijkbaar toe dat een handvol mensen in het land honderden miljarden vergaart, terwijl we zogezegd de middelen niet zouden hebben om een deftig minimumloon van 25 dollar te betalen. Murphy leest de trend helder: politici die geconcentreerde bedrijfsmacht stevig durven aanpakken, boeken winst.
Het is een berekende strategie in een tijdperk waarin de Democraten bij de laatste stembusgang een flink deel van de arbeidersklasse richting de Republikeinen zagen trekken. Hij is uiteraard niet de eerste die deze snaar raakt. Vorig jaar nog probeerden Bernie Sanders en Bobby Scott het minimumloon tegen 2030 op 17 dollar te krijgen, een voorstel dat momenteel ergens in een Senaatscommissie wordt bestudeerd. Het Congressional Budget Office waarschuwt traditiegetrouw dat een te bruuske loonstijging kan leiden tot jobverlies aan de onderkant van de markt, al steunden zij wel de eerdere plannen richting 17 dollar, inclusief het cruciaal gelijktrekken van het subminimumloon voor werknemers die met fooien worden betaald.
Toch kiest Murphy bewust voor de radicalere vlucht vooruit. Hij beseft dat de Democraten hun coalitie moeten verbreden als ze de macht willen heroveren. Ze hoeven hun progressieve standpunten op het vlak van klimaat, wapenwetgeving of abortus niet overboord te gooien, maar ze moeten wel plaatsmaken voor kiezers die in de verleiding kwamen door Donald Trump. Die groep zoekt een partij die de machtsstructuren in de economie wil ontmantelen, zelfs al lopen ze niet op alle culturele of sociale lijnen netjes mee in de pas. Het is een gewaagde spreidstand, maar wel een die pijnlijk blootlegt hoe de fundamentele strijd om de portemonnee van de werknemer niet enkel over geld gaat, maar stilaan de hele politieke toekomst dicteert.