Ik had onlangs het geluk – en ja, ik besef maar al te goed dat het een privilege is – om in het Teatro alla Scala in Milaan te zitten. Vanuit zo’n overdadig gedecoreerde loge keek ik, samen met mijn man David en vier volslagen onbekenden, naar Verdi’s Nabucco. Je kent het waarschijnlijk wel, het epos over de verwoesting van de Eerste Tempel. Die avond werden we voor even lotgenoten in pure bewondering. De muziek, de stemmen, de enscenering; het overspoelde me compleet. Het is een schoonheid van een schaal die eigenlijk bijna onmogelijk voelt. En toch, het is bedacht, vormgegeven en gezongen door mensen.
Eerder die dag liepen we al wat rond in de wandelgangen van La Scala en botsten we op een expo over de heropening van het operahuis, nadat het in de Tweede Wereldoorlog flink in de as was gelegd. Op 11 mei 1946 stond Arturo Toscanini daar weer op de bok. Hij had sinds de jaren dertig in de VS in ballingschap geleefd omdat hij weigerde te plooien voor het fascistische bewind in Italië. Voor die bewuste heropeningsavond koos hij een volledig Italiaans programma, met als absoluut zwaartepunt het Va, pensiero uit diezelfde Nabucco. Het befaamde slavenkoor. De tekst is deels gebaseerd op Psalm 137 en vertolkt de rauwe pijn van de verbannen Israëlieten in Babylon, snakkend naar vrijheid en hun verloren thuisland. Toen stonden de straten van Milaan autovrij en schalden er luidsprekers over de pleinen zodat iedereen kon meeluisteren. Als je dan bedenkt dat de Milanezen nog maar net recht krabbelden na de miserie van oorlog, dictatuur en vernieling, kun je je alleen maar inbeelden wat er door hen heen ging bij het horen van: Oh mia patria sì bella e perduta!
We hebben er sinds 7 oktober een behoorlijk verlammende periode op zitten. Het voelt alsof we de afgelopen jaren continu de lelijkste kanten van de mensheid op ons bord kregen. Dat weegt, en op persoonlijk vlak was het dit voorbije jaar soms echt slikken. Oorlog heeft de nefaste neiging om je blikveld drastisch te vernauwen; op de duur domineren enkel nog angst, verdriet en de pure noodzaak om te overleven. Je zou zowaar vergeten dat de mens tot zoveel meer in staat is dan alleen maar de boel afbreken.
Een vinkje kunnen zetten achter ‘opera in La Scala’ op mijn bucketlist was daarom een meer dan welkome adempauze. Het besef dat het werk dat Verdi bijna twee eeuwen geleden componeerde vandaag met zoveel vitaliteit nieuw leven wordt ingeblazen, herinnert ons eraan dat wij in de eerste plaats scheppers zijn. Het is overigens best straf dat zijn stuk de tand des tijds zo goed heeft doorstaan. Vaak verdwijnen de allereerste probeersels van grote componisten geruisloos in de plooien van de tijd. Neem nu Verdi’s eigen Oberto, Guntram van Richard Strauss, Puccini’s Le Villi of Wagners Die Feen. Stuk voor stuk werken die vandaag hoogstens nog worden opgediept als curiosa voor de absolute diehards. Zelfs Mozarts Apollo et Hyacinthus ondergaat dat lot – al was de jongen toen amper elf, dus allez, we vergeven het hem.
Maar wat als je eerste opera vandaag wél standhoudt? Gabriela Lena Frank overkomt het momenteel. Haar debuutopera El último sueño de Frida y Diego mocht eerder al neerstrijken in Santa Fe en vindt nu zijn weg naar de Metropolitan Opera. Bestaat er iets plezanters dan in de repetitiezaal te mogen toekijken hoe jouw allereerste opera in zo’n mythisch huis in de steigers wordt gezet?
Toch wel, zo blijkt. Op 4 mei kreeg Frank namelijk te horen dat ze de Pulitzer Prize voor Muziek van 2026 op zak had gestoken. De absolute kers op de taart. Ze won die met Picaflor: A Future Myth, een grootschalig opdrachtwerk voor The Philadelphia Orchestra, de Oregon Symphony en het Bravo! Vail Music Festival, dat op 13 maart 2025 in première ging in de Marian Anderson Hall in Philadelphia. Het is een ecologisch geladen, verhalende symfonie van een halfuur. En de bezetting is niet min: een stevig orkest met driedubbele blazers, vier percussionisten, hoorns, trompetten, harp, piano, celesta en de hele mikmak aan strijkers.
Het Pulitzer-comité vatte het werk heel treffend samen als een moderne symfonie, gevoed door Franks persoonlijke ontmoetingen met de apocalyptische bosbranden in Californië en verweven met Andes-mythologie. Het hart van het stuk is pachacuti, een oude inheemse opvatting uit Peru die stelt dat er om de zoveel honderd jaar een catastrofale omwenteling van tijdperken plaatsvindt. In haar compositie start die cyclus met een aardse ramp, waarbij de Zonnegod zijn favoriete schepselen in het Hemelrijk in veiligheid brengt. Picaflor, een kleine, koppige kolibrie, lapt de bevelen aan zijn laars en vliegt terug naar de aarde om de achtergebleven wezens een sprankeltje hoop te bieden.
Wanneer hij uiteindelijk toch terugkeert naar boven, krijgt hij stevig onder z’n voeten van de Zonnegod, die hem onverbiddelijk terug naar de aarde jaagt. De zinderende hitte van de zon brengt de planeet weer tot leven, maar herleidt Picaflor onherroepelijk tot as. Uit die as – bevrucht met de wijsheid, de moed en de onbaatzuchtigheid van het kleine vogeltje – ontstaat een nieuw ras van kolibries: de vuurkeeltjes, die voortaan als wachters over onze planeet vliegen. Frank omschreef het zelf op de dag van haar overwinning aan NPR als een uiterst theatraal werk, haast een ballet zonder dansers. Je ziet ze zo voor je, meesurpend op de ritmes van wat in wezen een virtuoos concerto voor orkest is.
Als ik die elementen naast elkaar leg – van de as van een mythologische kolibrie tot het overdonderende slavenkoor in een heropgebouwd Milaan – valt de puzzel ergens wel in elkaar. Deze sjabbat lezen we in Israël Parashat Beha’alotcha, waarin Mozes heel specifieke instructies krijgt voor het maken van de menora. Die mocht niet in losse stukjes in elkaar geknutseld worden, maar moest uit één massief blok goud gehamerd zijn. Geen koele assemblage achteraf, maar puur vakmanschap, geboren uit de harde slagen van een hamer en een ontembare creatieve visie.
En is dat niet precies waarom kunst ons zo hard raakt? Uit de pure verwoesting, of dat nu de as is van een verbrande aarde of het verdriet om een verpulverd thuisland, puren we iets dat ons overstijgt. Het wist de brandwonden of de oorlogen niet uit, maar het herinnert ons er wel aan dat we, ondanks alles, wezens zijn die goud uit de chaos kunnen slaan.